T: 024 - 360 09 23

E: info@sjbadvocaten.nl

Oranjesingel 75 Nijmegen

Loonvordering in kort geding toegewezen maar is ontslag vernietigd?

Loonvordering na ontslag op staande voet in kort geding toegewezen op voorwaarde dat werkneemster binnen vervaltermijn een verzoek ex artikel 7:681 lid 1 BW heeft ingediend.

 

Een werkneemster wordt op 24 juli 2015 op staande voet ontslagen omdat zij zich per WhatsApp-bericht heeft ziek gemeld, de telefoon niet opneemt en niet bereid is om aangepast of deeltijdwerk te verrichten. De dag ervoor heeft werkgever aan werkneemster te kennen gegeven dat haar arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd, zodat 25 augustus 2015 haar laatste werkdag zal zijn.

Bij brief van 11 augustus 2015 wordt namens werkneemster een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en wordt medegedeeld dat werkneemster zich beschikbaar houdt voor werkzaamheden en aanspraak maakt op doorbetaling van het loon, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente.

Werkneemster stelt vervolgens eind augustus in kort geding een loonvordering in. 

 

Beoordeling

In deze kort geding-procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vordering van werkneemster in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.

 

Geen dringende reden 

Terecht heeft werkneemster erop gewezen dat in de arbeidsovereenkomst niets is bepaald over de wijze waarop ziekmeldingen dienen te geschieden. Werkgever heeft voorts niet betwist dat zij geregeld met werkneemster via WhatsApp communiceerde. Tot slot is onweersproken dat de ziekmelding via WhatsApp werkgever (tijdig) heeft bereikt. Uit de ontslagbrief blijkt voorts dat een reden voor het ontslag was dat werkgever twijfels had bij de ziekmelding van werkneemster. Wat zij werkneemster in de ontslagbrief precies verwijt in dat kader is onduidelijk, maar hoe het ook zij: indien werkgever in twijfel trok dat werkneemster daadwerkelijk niet in staat was te werken, had het op haar weg gelegen om daarvoor een bedrijfsarts in te schakelen die daarover een oordeel kon uitbrengen. Dat heeft zij niet gedaan. Van een dringende reden voor ontslag op dit punt kan daarom geen sprake zijn.

 

Het verwijt dat werkneemster de telefoon niet opnam, leidt evenmin tot een dringende reden voor ontslag. In de eerste plaats is in deze procedure niet komen vast te staan dat werkneemster geen telefoontjes van werkgever heeft opgenomen. Werkneemster heeft bovendien -onweersproken- gesteld dat werkgever haar wel 10 keer per dag belde. Verder is onweersproken dat werkneemster gedurende haar ziekte wel contact met werkgever onderhield en bereikbaar was via bijvoorbeeld WhatsApp. Dit levert dan ook geen dringende reden op.

 

Tot slot heeft werkgever werkneemster verweten dat zij niet bereid is om aangepast of deeltijdwerk te verrichten. Ook dit verwijt treft geen doel, al was het maar omdat werkneemster ziek thuis was en dus geen aangepast of deeltijdwerk hoefde te verrichten. werkgever heeft bovendien ook niet gesteld dat zij werkneemster aangepast of deeltijdwerk heeft aangeboden, welk werk werkneemster heeft geweigerd te verrichten. Ook hierin is dus geen dringende reden voor ontslag gelegen.

 

Het ontslag dient nog te worden vernietigd op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW 

Al het voorgaande brengt de kantonrechter tot de conclusie dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij dient wel in aanmerking te worden genomen dat met de inwerkingtreding van de WWZ de werkneemster niet langer de mogelijkheid heeft de opzegging buitengerechtelijk te vernietigen. Op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW dient de werkneemster de kantonrechter daartoe een verzoek te doen. Dat verzoek dient gelet op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a, onder 2, BW gedaan te worden binnen de termijn van twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Of werkneemster (tijdig) een dergelijk verzoek heeft ingediend, is ter zitting niet aan de orde geweest.

 

De vordering tot betaling van het achterstallig salaris is toewijsbaar, zij het slechts onder de voorwaarde dat werkneemster binnen de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a, onder 2, BW een verzoek ex artikel 7:681 lid 1 BW heeft ingediend. De wettelijke verhoging is eveneens toewijsbaar, zij het dat het de kantonrechter billijk voorkomt deze voorshands te beperken tot 25%. Ook de gevorderde en niet weersproken rente is toewijsbaar.

 

Rechtbank Amsterdam 30 september 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:7215

 

Let dus goed op bij ontslag op staande voet: vernietiging kan niet meer buitengerechtelijk met een brief maar moet worden ingeroepen middels het indienen van een verzoekschrift binnen 2 maanden na de dag waarop de overeenkomst is geeindigd. Neem tijdig contact op met een van onze advocaten te Nijmegen. 

Zie ook mijn eerdere nieuwsbericht: Procedure na ontslag op staande voet te laat gestart: afwijzing

 

Irene Bloemen, advocaat

 

Publicatiedatum:

13-12-2015 13:17