T: 024 - 360 09 23

E: info@sjbadvocaten.nl

Oranjesingel 75 Nijmegen

Verzwegen inkomsten, buitenlandse rekeningen en de navorderingstermijn

 

Achtergrond

Belanghebbenden zijn gehuwd en dreven als ondernemers een ijssalon in de vorm van een vennootschap onder firma. De verkopen werden, althans grotendeels, contant afgerekend. Belanghebbenden hebben op 4 november 2005 een bedrag van € 60.000 in contanten gestort op een in Luxemburg aangehouden bankrekening. Belanghebbenden hebben, als zogenoemde inkeerders, op 14 april 2014 drie verzwegen buitenlandse bankrekeningen bij Luxemburgse banken, gemeld bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft op 12 juni 2015 aan belanghebbenden over het jaar 2005 navorderingsaanslagen opgelegd. Het in deze navorderingsaanslagen in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) voor iedere belanghebbende afzonderlijk, is, wegens meerdere winsten uit onderneming, gecorrigeerd met € 30.000.

Het geschil

In geschil is of ter zake van de correcties van het box 1-inkomen ter grootte van  € 30.000 bij beide belanghebbenden, de verlengde navorderingstermijn, van twaalf jaren, als bedoeld in art. 16, lid 4, AWR van toepassing is. Alleen in dat geval zijn de onderhavige navorderingsaanslagen nog binnen de termijn opgelegd.
Hof Den Haag (22 februari 2017, nrs. 16/00345 en 16/00346), heeft overwogen dat de wetgever met het in art. 16, lid 4, AWR gehanteerde begrip ‘in het buitenland is opgekomen’ tevens de bedoeling heeft gehad het object van de navordering uit te breiden tot de in Nederland verkregen inkomsten waarmee de tegoeden op de buitenlandse rekening worden gevoed. Het hof heeft geoordeeld dat dit niet zo ver gaat dat in Nederland verdiende inkomsten waarop de fiscus met gebruik van de hem toekomende controlemiddelen binnen de gewone navorderingstermijn zicht had kunnen krijgen maar, doordat hij deze controlemiddelen niet heeft gebruikt, geen zicht heeft gekregen, onder de verlengde navorderingstermijn van art. 16, lid 4, AWR vallen om de enkele reden dat zij door de storting op een buitenlandse bankrekening aan de fiscus bekend zijn geworden. Het hof heeft vervolgens overwogen dat uit de parlementaire behandeling volgt dat de rechtvaardigingsgrond voor de verruimde navorderingstermijn voor buitenlandse bestanddelen van vermogen of inkomen is dat de controlemiddelen van de Nederlandse fiscus te beperkt zijn om met een termijn van vijf jaren te kunnen volstaan. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien aan welke controlemogelijkheden het de fiscus heeft ontbroken om achter de gedurende de jaren voorafgaande aan de storting verzwegen omzet uit de ijssalon te komen.

De staatssecretaris komt thans in cassatie met één middel op tegen het oordeel van het hof. In het middel verzet de staatssecretaris zich tegen het oordeel van het hof dat de verlengde navorderingstermijn niet kan worden toegepast op de verzwegen inkomsten, die op de buitenlandse bankrekening zijn gestort, omdat geen sprake is van in het buitenland opgekomen dan wel in het buitenland aangehouden voorwerp van de belasting.
Volgens A-G IJzerman staan de ratio en de wetsgeschiedenis alsmede de jurisprudentie eraan in de weg om de verlengde navorderingstermijn toe te passen op binnenlandse inkomensbestanddelen die binnen het controlebereik van de Nederlandse fiscus vallen, althans vielen, maar waarvan de opbrengsten op enig moment naar het buitenland zijn overgebracht. De Belastingdienst heeft jarenlang de gelegenheid gehad om de onderneming van belanghebbende (nader) door te lichten (administratieve verantwoording, inkoopcontrole, vermogensvergelijking, bedrijfsvergelijking enz.). Het lijkt de advocaat-generaal, op de gebruikelijke wijze, mogelijk dat daarbij aan het licht was gekomen dat belanghebbende contant genoten winsten niet heeft aangegeven. Het komt de advocaat-generaal voor dat de aanknopingspunten voor het instellen van een dergelijke binnenlandse controle, niet aan het zicht van de Inspecteur zijn onttrokken door de omstandigheid dat belanghebbenden de verzamelde stapels bankbiljetten op een Luxemburgse bankrekening hebben gestort.
De staatssecretaris heeft als klacht tevens aangevoerd dat het hof de bewijslast verkeerd heeft verdeeld, omdat voor de hele aanslag omkering van de bewijslast geldt, dat geldt dus ook voor het element welk deel van het gestorte bedrag afkomstig is uit recent verkregen (verzwegen) omzet. Belanghebbenden zouden dienen te doen blijken dat van dergelijke inkomsten geen sprake is.
Het hof heeft, hetgeen de advocaat-generaal juist lijkt, als eerste vraag beoordeeld of in casu de verlengde navorderingstermijn van art. 16, lid 4, AWR van toepassing is, gezien de aard van de nagevorderde inkomsten en de overige omstandigheden. Zo niet, dan kan in casu niet worden toegekomen aan de tweede vraag, of de hoogte van de nagevorderde bedragen juist te achten is. De advocaat-generaal is van mening dat de in de AWR voorziene artikelen welke zien op omkering van de bewijslast vanwege het niet hebben gedaan van de vereiste aangifte niet zien op de bevoegdheid om (nog) een belastingaanslag te kunnen opleggen. Omkering kan pas spelen als wordt toegekomen aan de tweede vraag. Volgens de advocaat-generaal heeft het hof terecht geoordeeld dat bij de beoordeling van de eerste vraag, of het opleggen van een navorderingsaanslag mogelijk is, het op de weg van de Inspecteur ligt te bewijzen dat navordering (nog) mogelijk is. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard.

 

Jan Paul Slot

 

Publicatiedatum:

18-08-2017 17:19